Denkend aan het thema van het aanstaande EFT-congres, Samen Verschillend, kwam de titel van een van mijn lievelingsboeken bij me op. Het is literaire fictie en verscheen al in 2012, maar is in zijn essentie nog steeds zeer actueel. Het gaat om Ver van de boom, van de Amerikaanse schrijver en hoogleraar klinische psychologie Andrew Solomon.
Waarom willen mensen kinderen? Vraagt Solomon zich af. Misschien, verrassend, omdat ze zelf eeuwig willen leven, samen met hun partner. Maar een kind heeft zijn eigen persoonlijkheid, die soms radicaal anders is dan die van hun ouders.
Voor dit boek interviewde Solomon ruim 300 ouders die een kind kregen dat ‘anders’ is. De kinderen hebben het syndroom van Down, zijn doof, autistisch, schizofreen, meervoudig gehandicapt, crimineel, transgender, een wonderkind, behept met dwerggroei of uit een verkrachting geboren. Maar wat ze met elkaar gemeen hebben is, zo schrijft Solomon ‘dat het appels zijn die ver van de boom zijn gevallen, soms een paar boomgaarden verder, soms aan de andere kant van de wereld’. Ze zijn niet alleen anders dan ‘gemiddeld,’ ze zijn ook anders dan hun ouders. Dit gegeven plaatst ouders voor grote uitdagingen en vragen: Hoe verhoud ik mij tot dit kind? Hoe aanvaard ik het? Hoe voed ik het op? Hoe ga ik om met zijn/haar anders-zijn?
Wat ik zo mooi vind aan dit boek, is de eerlijkheid ervan. Solomon schrijft in het voorwoord: ‘Terwijl velen van ons trots zijn op hoe we verschillen van onze ouders, kunnen we eindeloos verdrietig zijn wanneer onze kinderen te veel van ons verschillen’. Hij spreekt uit ervaring. De verhalen van de gezinnen die hij heeft geïnterviewd worden voorafgegaan door en afgesloten met zijn eigen geschiedenis. In het eerste hoofdstuk, Zoon, beschrijft Solomon zijn ongelukkige positie in zijn gezin van herkomst als homoseksuele, dyslectische zoon. Hij onderging zelfs ‘therapie’ om vrouwen aantrekkelijk te gaan vinden. In het laatste, Vader, vertelt hij over de dochter die hij bij een draagmoeder verwekte. ‘Ik begon aan dit boek om mijn ouders te vergeven, ik beëindigde het door zelf vader te worden.’
De ouders in het boek hebben moeten wennen aan het idee dat hun kind anders is, maar geleerd zich ertoe te verhouden en het lief te hebben. Zo zegt een moeder: “Als iemand mij gevraagd had: wil jij een lesbische dwerg baren, dan had ik dat hokje niet aangekruist. Maar het is Anna en zij is de hoeksteen van ons gezin geworden.” En een vader vertelt hoe hij dubbel heeft gerouwd om zijn kind. De eerste keer toen zijn zwaar gehandicapte zoon werd geboren en de tweede keer toen hij overleed. Maar het beschrijft ook de worstelingen van ouders: een vrouw van wie het kind geboren is uit een verkrachting vraagt aan Solomon: “Kun je mij van dit kind leren houden?” Deirdre, moeder van een kind met het syndroom van Down, draait het om: “Al mijn vrienden hadden kinderen waarvan ze dachten dat ze perfect waren maar moesten zich vervolgens leren verhouden tot hun beperkingen en problemen. Ik had deze baby waarvan iedereen dacht dat het een ramp zou zijn en ik heb moeten uitvinden wat er allemaal verrassend aan haar was.” Veel, zo bleek. Veel gezinnen zijn dichter naar elkaar toegegroeid door de zorg voor een kind met uitdagingen; de meesten vinden steun in gemeenschappen van lotgenoten; sommigen worden geïnspireerd om voorvechters en activisten te worden en vieren juist hun eigenheid.
Het boek gaat over ons allemaal, over ouders en kinderen. Over onze worstelingen als wijzelf of onze kinderen anders zijn dan verwacht, maar ook ons grote vermogen tot liefhebben en het overbruggen van verschillen. De boodschap van Solomon is: we zijn allemaal verschillend, we zijn allemaal volkomen uniek, en juist het feit dat we dat allemáál zijn, verbindt ons. Misschien een mooie manier om je ‘in te lezen’ voor ons congres?