Boekbespreking van 'In Levende Lijve: het lichaam in de psychotherapie'

  • 04 februari, 2021;

We blijken tijdens onze -afzonderlijke- vakantie afgelopen jaarwisseling hetzelfde idee gehad te hebben. Om te verpozen één boek mee. En ach, vooruit dan, dit boek kon er ook wel bij. Vakliteratuur dat wel. Aantrekkelijk van onderwerp en formaat. En een auteur die glashelder schrijft. Het bleek een schot in de roos.

Nelleke Nicolai heeft een relatief dun boek geschreven (10 hoofdstukken- totaal 147 pagina’s) dat bomvol informatie staat over de verschillende perspectieven op het lichaam in de psychotherapie. Het laat zich niet makkelijk samenvatten, omdat er vanuit veel richtingen over het lichaam gesproken wordt. Duidelijk is wel dat Nicolai al jarenlang nadenkt over de rol van het lichaam.

Zij behandelde decennialang patiënten met complexe trauma’s en met persoonlijkheidsstoornissen als psychiater en psychoanalytica. Daarnaast is zij ook systeemtherapeut en sensorimotor psychotherapeut. Zij heeft haar ervaring en kennis in dit boek gebundeld en zo voor therapeuten beschikbaar gemaakt. Zij positioneert zich als een therapeut die het lichaam als bron van informatie benut, niet aanraakt en wel daarover metalliseert met de patiënt.

De fascinatie voor het lichaam is al zo oud als de mensheid, en in het eerste deel geeft Nicolai een historisch overzicht van de soms hilarische manieren waarop naar het lichaam gekeken werd. De hysterische conversie was een sappig onderwerp waar menigeen graag over hoorde. Inmiddels zijn we zoveel meer te weten gekomen over het lichaam, het daaraan gekoppelde brein en de samenwerking tussen onze organen in de regulatie van emoties. We spreken niet meer over de scheiding tussen lichaam en geest, dat dualisme is een achterhaald idee. Nu spreken we over de ‘embodied mind’ en ‘right brain psychotherapy’. Het werk van Solms, Panksepp, Schore wordt daarin expliciet genoemd. Nicolai wijdt een hoofdstuk aan de functie van de rechter- en linke hemisfeer en hoe die onze beleving van de wereld kleuren. Het zijn twee ‘soorten van zijn’ die kwalitatief anders zijn: rationeel, gefocust links en intuïtief en emotioneel rechts. De verschillen zijn overigens veel genuanceerder dan ik hier nu weergeef.

Hoofdstuk 4 gaat over de grenzen van het lichaam: de rol van aanraking en het verschil tussen het zelf en de buitenwereld. Als kind worden we ons pas bewust van onszelf als de grens (onze huid) is aangeraakt. Daarmee verkrijgen we een gevoel van zelf, van afbakening. En die aanraking is van levensbelang voor het in leven blijven en voor de latere emotieregulatie. In tal van paragraafjes somt zij de opmerkelijke resultaten op van onderzoek bij affectieve aanraking. Om er enkele te noemen: aanraking helpt bij het verdragen van sociale uitsluiting, het doet pijn verminderen. Het helpt ook teleurstellingen te verdragen, beter dan een verbale uiting van steun.  Dat affectieve aanraking de beste manier is om eigen affecten en die van degene die streelt te leren herkennen.  En natuurlijk dat de betekenis van elke aanraking bepaald wordt door de context, denk aan #MeToo.

In hoofdstuk 5 neemt Nicolai ons mee in de de polyvagaal theorie, de werking van ons zenuwstelsel in staat van gevaar of veiligheid. In gevaar schakelt het autonome zenuwstelsel aan en ontstaat er een fight-flight respons, en in doodsnood een omschakeling naar dorsaal vagaal: ineenstorting (de reptielenrespons). Pas als er veiligheid is schakelt het social engagement systeem weer in. Mensen met trauma zijn bijna niet in social engagement. Er zijn overzichtelijke schema’s bijgevoegd die bruikbaar zijn voor therapeuten om te herkennen “waar de patiënt zit in zijn zenuwstelsel”. Nicolai illustreert met casuïstiek hoe patiënten hun lichaam als vreemd of onbewoonbaar ervaren, door de effecten van (intergenerationeel) trauma. Zij is duidelijk analytisch therapeut in haar interventies, die vaak doordacht genuanceerd en mentaliserend zijn. Glashelder weet ze ingewikkelde concepten kort en krachtig duidelijk te maken.

In hoofdstuk 6 beschrijft zij het lichaam van binnenuit: de interoceptie. Dit is het vermogen om signalen uit het eigen lichaam waar te nemen en te verwerken.  Ik vond dat zeer toepasselijk voor ons EFT werk, omdat we altijd op zoek zijn naar de betekenis van emoties die soms nog niet verwoord kunnen worden. Nicolai laat zien hoe de affectieve systemen (Panksepp) onze emoties en gedrag bepalen. We zijn allemaal ondergeschikt aan deze basale mechanismen van regulatie. Deze zeven systemen worden aangestipt: zoeken, angst (voor bedreiging van buitenaf), separatie/paniek (onderdeel van gehechtheid), woede, lust, zorg/hechting, spelen. Het zou mooi zijn om dit nog verder uit te werken naar de praktijk, maar wellicht komt dat in een volgend boek. In een kort paragraafje besteed ze aandacht aan het belichaamd mentaliseren, een onderwerp dat de rode draad vormt door het boek. Het gaat over het leren herkennen en interpreteren van lichamelijke signalen, welke bij jezelf horen (lichaamseigenaarschap) en welke bij een ander en wat je er het best mee kan doen. Maar ook welke dilemma’s het kan geven. Niet alleen in een relatie, maar ook in je lijf: het dilemma van ’s ochtend uit bed stappen of toch nog even blijven liggen. 

Nicolai maakt dan een logisch zijsprongetje naar alexithymie, dat nu wordt begrepen als een tekort in het vermogen tot interoceptie, het niet kunnen lezen wat er in je binnenwereld leeft. Dat kan het gevolg zijn van een combinatie van karakter en onveilige gehechtheid, maar kan ook later optreden door een trauma of lichamelijke aandoening. Alexithyme personen kunnen geen intern somatisch beeld maken van de emoties van de ander. Dit komen we in echtpaarbehandelingen zeker ook tegen en dan krijgt die partner vaak het predicaat autist.

In het hoofdstuk over het lichaamsbeeld in de spiegel vertelt Nicolai over het effect van het waarnemen van onszelf. De voortdurende aanwezigheid van ons eigen spiegelbeeld nu we moeten beeldbellen geeft ook meer stress en zelfbewustzijn. Het onvoldoende gespiegeld zijn als kind geeft echter ook een gebrekkig zelfgevoel. Zij legt het spiegelinterview uit en het onderzoek dat hiermee gedaan is bij adolescenten. Tijdens het in de spiegel kijken krijgen ze een aantal vragen te beantwoorden over hun lichaamsbeleving, terwijl de vragensteller ook in de spiegel te zien is. De opgave is om emoties over zichzelf te verwoorden en te reguleren. Het beslissende criterium bleek te zijn of je wel of niet oogcontact kunt maken met je zelfbeeld in de spiegel. Veilig gehechte adolescenten keken vol zelfvertrouwen en maakten contact met zichzelf en de ander In de spiegel en konden helder spreken. Onveilig gehechte adolescenten keken weg, als manier om zichzelf te reguleren.  Nicolai benadrukt dat in ons lichaam is vastgelegd “hoe wij gehanteerd, gekoesterd, aangeraakt, getroost, liefgehad en zelfs gekieteld zijn in een plezierige relatie met onze ouders”.  En hoe je je lichaam “herneemt” in de puberteit, met behoud van de ontstane hechtingsstijl.

Het is mooi hoe Nicolai in de laatste drie hoofdstukken met een aantal uitgewerkte voorbeelden continu de hechtingsbril opheeft. Ze werkt dan het belichaamd mentaliseren verder uit. Naar haar stellige overtuiging dient er altijd en in elke vorm van behandeling en begeleiding in de ggz aandacht te worden besteed aan de beleving van het lichaam. Al zijn het maar minuutjes. In die minuutjes kunnen een aantal basisvaardigheden in het aanleren van mentaliseren over het lichaam worden doorgenomen, die zij in twee tabellen uiteenzet. In het een na laatste hoofdstuk komt de verwarring aan bod die kan optreden over het “eigenaarschap” van het lichaam, zoals trauma of grote stress op belangrijke ontwikkelingsmomenten. Zij zet het “Ideale Ouder Protocol” uiteen. Deze op Brown en Elliott gebaseerde methode bestaande uit zeven stappen heeft tot doel om een consistent en veilig Innerlijk Werk Model te verkrijgen en de gehechtheid bevorderende kwaliteiten (zoals beschikbaarheid, betrouwbaarheid, interesse etc) te versterken. In het laatste hoofdstuk verhaalt zij over somatische resonantie en somatische tegenoverdrachtsreacties van de therapeut en geeft voorbeelden uit haar supervisie-ervaringen hoe deze lichaamsinformatie als instrument gebruikt kan worden.

Dit boek is met bezieling geschreven. Informatie die het lijf ons geeft is voor ons EFT-ers absoluut niet vreemd. Nelleke Nicolai maakt een extra sterk onderbouwd pleidooi om tijdens het werken met emotie en hechting absoluut aandacht te besteden aan het lichaam en geeft waardevolle inspirerende informatie en inzichten hoe dat kan worden gedaan. Want, zoals ze schrijft, “zonder je lichaam te voelen kun je je emoties niet voelen.” 

 

Uitgegeven bij Bohn Stafleu van Loghum, Houten.

Geschreven door Karin Wagenaar en Jaap Zoetmulder.